maandag 13 december 2010

Oq eenpag stuurbenze qevos

naar het daliesvan peleeuw m hem te vrageneen onberkoning te penoemen. ‘En?’ vroegbe qeer. De vos begreedbat pe deer onqerkoning hoodteteworqen. Stel je voor dat alle teksten er voor jou zo uitzagen. Je zou niet zo snel kunnen lezen én je zou veel meer tijd nodig hebben om de tekst te begrijpen. Dat is precies wat een kind met dyslexie doormaakt.

Straat of staart?

“Als kleuter kon Sydney het uitleggen als de besten. Zowat iedereen zei dat hij leren lezen en schrijven leuk zou vinden. Voor hem was het een ramp. Na amper twee weken huilde hij hartverscheurend. Hij voelde zich dom. Die stomme letters s, k en i kon hij niet onthouden”, vertelt zijn mama. “Ook hoofdrekenen gaat soms niet goed, omdat hij de tussenoplossingen niet kan onthouden. Met inzicht is er geen probleem. Bij huiswerk neemt hij stiekem zijn rekenmachine. Omdat hij de tafels niet uit het hoofd kent duurt het veel langer.”

“Oef, vandaag geen huiswerk taal, maar vraagstukken! ‘Mama, wat is een straat van een rat?’ (hij leest straat i.p.v. staart). Zelfs die vraagstukken lezen en begrijpen lukt hem niet. Als ik ze voorlees wel. In het weekend wil hij dolgraag naar de film. Gelukkig is die gesproken in het Nederlands en zonder ondertitels.”

Mama, wat is de straat van een rat?

Wat is het?

Kinderen met dyslexie kunnen moeilijk vlot lezen en spellen. Ze hebben het lastig om zaken uit het hoofd te leren en soms hebben ze ook weinig gevoel voor tijd. Nieuwe informatie verwerken vergt meer tijd dan bij andere kinderen. En lang aandachtig zijn is moeilijk. Voor Frans of Engels zijn er minstens zoveel moeilijkheden als voor Nederlands. Dyslexie is een leerstoornis. Als dat niet (h)erkend wordt, worden kinderen snel dom of lui genoemd.

Wie heeft het?

Drie tot vijf procent van de Vlamingen heeft dyslexie. In iedere klas zit wel één of twee leerlingen met dyslexie. Ongeveer één op de twintig heeft het in een hardnekkige vorm. Dyslexie komt viermaal meer voor bij jongens. In heel wat gezinnen zijn er meerdere kinderen met dyslexie. Dat wijst er op dat erfelijkheid een rol speelt.

Wat kunnen we doen?

Kleuters met familieleden met dyslexie en kleuters met spraak- en taalproblemen hebben meer kans op dyslexie. Thuis en op school moeten we dus vooral op signalen letten. Wie een probleem vermoedt, neemt best contact op met de leraar en het CLB. Bij ernstige vermoedens van dyslexie kan men je kind testen of doorverwijzen. Bij dyslexie wordt een attest uitgereikt. Het probleem én de sterke kanten van het kind kennen is erg belangrijk voor een goede begeleiding. Pas als ouders en leerkrachten het probleem aanvaarden kan het kind ermee leren omgaan.

De kans op slagen is het grootst als het kind zelf, zijn ouders, leerkrachten, CLB, externe buitenschoolse hulp (logopedie…) een hecht team vormen. Allen hebben ze daarin een aparte, maar even belangrijke rol.

Bron: klasse voor ouders

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen