dinsdag 14 juni 2011

Kind van dyslectische ouder heeft tien keer grotere kans op dyslexie

Leesvaardigheid ouders voorspellend voor risico op dyslexie

Van de kinderen met een dyslectische ouder ontwikkelt maar liefst 30% dyslexie, ten opzichte van slechts 3% van de kinderen met normaal tot goed lezende ouders. Dit is een van de resultaten van het Dutch Dyslexia Programme (DDP, 1997–2012), een onderzoek uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, de Radboud Universiteit Nijmegen en de Rijksuniversiteit Groningen. De resultaten van het onderzoek zijn onlangs online gepubliceerd in het Journal of Child Psychology and Psychiatry.

Tijdens het onderzoek worden ruim 200 kinderen met en zonder familiair risico op dyslexie gevolgd van de leeftijd van 2 maanden tot 9 jaar. Het blijkt dat de groep risicokinderen die dyslectisch zijn geworden maar liefst drie tot vier keer zo langzaam leest als de groep controlekinderen. Ook maken ze twee keer zo veel fouten met lezen en spellen. Wat opvalt, is dat ook de kinderen met familiair risico die uiteindelijk toch niet dyslectisch worden zwakker lezen en spellen. Hieruit blijkt dat het risico op dyslexie niet een alles-of-niets, maar een gradueel karakter heeft. Het lijkt erop dat risicokinderen zonder dyslexie toch een deel hebben geërfd van de vele genen die betrokken zijn bij dyslexie.

Herkennen van klanken

De onderzoekers kwamen erachter dat achtjarigen zonder dyslexie geen moeite hebben met kleine klanktaken (zoals ‘Wat is ‘memslos’ zonder de l-klank?’ of ‘serblet’ zonder b-klank?’), maar hun leeftijdsgenoten met dyslexie maar weinig van dit soort vragen goed kunnen beantwoorden. Hieruit blijkt dat dyslectici moeite hebben met het herkennen en manipuleren van klanken in gesproken taal. Eveneens blijkt dat dyslectische kinderen langzaam zijn in het ophalen van kennis. Ze zijn een stuk trager in het benoemen van een lijst cijfers of kleuren. Dit soort taken zijn in het onderzoek meegenomen om de onderliggende problemen bij dyslexie in kaart te brengen. Opheldering van de onderliggende problematiek levert aanknopingspunten op voor remediërend onderwijs.

Zo ouder zo kind
De ouders van de controlekinderen kunnen niet alleen sneller lezen, maar zijn ook beter in de bovengenoemde klank- en benoemtaakjes dan de dyslectische ouders. Hoewel alle dyslectische ouders heel langzaam zijn op de lees- en benoemtaakjes, zijn hun scores toch nog voorspellend voor het risico op dyslexie van hun kind: de kinderen van de ouders met de zwaarste dyslexie lopen het meeste risico. Uiteindelijk willen de onderzoekers deze resultaten combineren met de resultaten van hersen- en genetisch onderzoek om zo tot een nauwkeurige voorspelling te komen van het risico dat een jong kind loopt om later dyslectisch te worden.

Dutch Dyslexia Programme

innen het DDP werken onderzoekers samen uit verschillende vakgebieden, waaronder de neurologie, psychiatrie, psychologie, pedagogiek, genetica en taalkunde. Het programma bestaat uit drie componenten, te weten langlopend onderzoek, interventieonderzoek en genetisch onderzoek. Bovengenoemde resultaten komen uit het langlopende onderzoek. Binnen het interventieonderzoek wordt de effectiviteit van verschillende therapieën geëvalueerd en binnen het genetisch onderzoek wordt geprobeerd de genetische factoren op te sporen die betrokken zijn bij dyslexie. Het DDP is gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Publicatiegegevens

an Bergen, E., de Jong, P.F., Plakas, A. Maassen, B., & van der Leij, A.. Child and parental literacy levels within families with a history of dyslexia. Journal of Child Psychology and Psychiatry

bron: Universiteit van Amsterdam

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen